Nieuws

‘Ik ben niet met woorden bezig’ – Genomineerden Dr. Elly Jaffé Prijs over het vertalersvak

15 mei 2018

De vrijheid om je onder te dompelen in een boek, het origineel met respect vertalen én er een overtuigende Nederlandse tekst van maken, in een eigen wereld zijn en precies weten waar je naartoe moet. Anneke Alderlieste, Kiki Coumans, Martin de Haan en Liesbeth van Nes hebben geen moeite uit te leggen wat er zo mooi is aan hun vak. Ze zijn genomineerd voor de Dr. Elly Jaffé Prijs, een driejaarlijkse prijs voor de beste vertaling van een Frans literair werk in het Nederlands.

De een was minder verrast dan de ander (“Als je veel doet kom je vanzelf bovendrijven”), maar vereerd zijn ze alle vier met de nominatie voor de prijs, waaraan een bedrag van 40.000 euro is verbonden. Al had Anneke Alderlieste (1943) haar bedenkingen over de keuze om een shortlist naar buiten te brengen. “De prijs is tot nu toe altijd, hupsakee, aan één winnaar toegekend. Die kon dan bij de uitreiking een prachtig doorwrocht dankwoord uitspreken. Ik heb mevrouw Jaffé nog gekend, volgens mij wilde zij dat zo. Persoonlijk verheug ik me er niet op dat we straks allemaal in spanning zitten af te wachten wie de winnaar wordt.”

Foto: Patty Krone
Anneke Alderlieste

Alderlieste is genomineerd voor haar vertaling van het tweede deel van De Thibaults van Roger Martin du Gard, een romancyclus van twee delen, die aan de hand van twee broers de ontwikkeling van de Franse bourgeoisie aan het einde van de 19e eeuw beschrijft. Martin du Gard won er in 1937 de Nobelprijs voor Literatuur voor. Al 14 jaar lang is Alderlieste bijna uitsluitend bezig met het vertalen van zijn werk. Op dit moment werkt ze aan zijn dagboeken voor een Privé-domein.

“Ik kan de gordijnen dichtdoen. Het is heerlijk. In een hoekje zitten om iets heel zorgvuldig te doen, te borduren, dat heb ik altijd graag gedaan. Ik ben weleens bang geweest dat Martin du Gard me op een gegeven moment zou gaan vervelen. Maar ik ben juist steeds geboeider geraakt naarmate ik hem beter leerde kennen. Zijn toon, de levensechtheid, de emoties, het hopeloze onvermogen van mensen, hij weet dat zo goed over te dragen. Ik vind zijn laatste werk, Luitenant-kolonel de Maumort, het eerste dat ik van hem vertaalde, nog steeds het mooist. Het is een werk dat hij aan het einde van zijn leven schreef. Hij wist dat hij het niet zou kunnen voltooien, wat hem de vrijheid gaf open en onverbloemd te schrijven over de seksualiteit van de hoofdpersoon, een van de belangrijkste thema’s van het boek.”

Vousvoyeren

Zo gespecialiseerd als Alderlieste is Martin de Haan (1966) niet, al is hij de vaste vertaler van onder anderen Michel Houellebecq en Milan Kundera. De Haan is genomineerd voor vertalingen van vijf werken. De briefroman Riskante relaties (Les liaisons dangereuses, van Pierre Choderlos de Laclos), waarvoor hij in april de Filter Vertaalprijs won, vindt hijzelf de belangrijkste. “Ik heb er heel lang aan gewerkt, ik was een jaar over de deadline. Dat kwam omdat ik de aanpak op het allerlaatst totaal heb omgegooid. Het is een 18e-eeuwse briefroman en ik had er aanvankelijk voor gekozen om de omgangsvormen van die periode van romantiek – de elegantie, de standaard beleefdheidsfrasen – te benadrukken.

“Maar bij het teruglezen vond ik het saai. Toen heb ik een ander aspect van de roman naar voren gehaald: het libertinisme, de spelletjes, de machtsstrijd, die ook kenmerkend zijn voor het werk. Om dat uit te proberen heb ik één brief omgezet en personages elkaar bijvoorbeeld laten tutoyeren in plaats van vousvoyeren. Ik wist meteen: zo moet het. Maar het duurde wel even voordat ik besefte dat ik daardoor de hele vertaling opnieuw moest doen. Je bent een dief van je eigen portemonnee, want je krijgt er niets extra’s voor.”

Martin de Haan

Riskante relaties is een interessant voorbeeld in de richtingenstrijd over de vraag in hoeverre een vertaler zijn eigen stempel mag drukken op een werk. Aan de voetnoten die deel uitmaken van het oorspronkelijke werk, heeft Martin de Haan eigen vertalersvoetnoten toegevoegd. “Dat paste goed, vond ik, omdat het boek speelt met de vertellende instantie. Daarnaast klopte het met de periode waarin Les liaisons dangereuses werd geschreven. In de achttiende eeuw goten vertalers, als ware ‘cultureel bemiddelaars’, teksten vaak in een geheel nieuwe, aan het doelpubliek aangepaste vorm, niet zelden inclusief begeleidende voetnoten.”

Voor De Haan is het helder: “Elke vertaling levert een ander boek op. Je kunt wel zeggen dat je zomin mogelijk aanwezig moet zijn, maar een vertaler klinkt altijd door. Het is net als met uitvoerende kunstenaars, die muziek altijd in een eigen stijl vertolken. Misschien is het een psychologisch mechanisme. Als je geen behoefte hebt aan aandacht, kun je je als vertaler verschuilen achter de oorspronkelijke schrijver. Het is comfortabel. Maar ik vind dat je moet uitkomen voor wat je maakt. Niet omdat je jezelf zo uniek vindt, maar omdat het een kwestie van eerlijkheid is: dit zijn jóuw woorden, niet die van de oorspronkelijke schrijver.”

De Haan denkt hier heel anders over dan de collega-genomineerden. Anneke Alderlieste: “Je kunt alleen zo nauwkeurig en inventief mogelijk weergeven wat de schrijver heeft bedoeld.” Kiki Coumans: “Vertalen is een dienstbaar beroep. Als vertaler kun je schitteren door afwezigheid.” Liesbeth van Nes: “Het gaat erom dat auteurs tot hun recht komen. Als je langer vertaalt durf je overigens wel aanweziger te zijn”, erkent ze. “Dan heb je minder de neiging om alles gelikt en netjes te maken omdat ze anders zouden kunnen zeggen: die kan niet vertalen. Een auteur als Jean Giono schrijft soms gek. Dat moet je dan zelf ook doen. Heel soms bouw ik een grapje in. Dan gebruik ik een specifiek woord omdat ik iemand ken die dat ook gebruikt. Maar dat is nog nooit iemand opgevallen.”

Lange zinnen

Een specialisatie heeft Liesbeth van Nes (1954) niet, al kreeg ze op een gegeven moment de naam dat ze oorlogsboeken vertaalde. “Dan komt dat naar je toe. En ik wilde ooit graag werk vertalen over de Eerste Wereldoorlog. Dat vond ik een intrigerende periode. Het is me overigens maar twee keer gelukt, met De grote kudde van Jean Giono (een van de zes boeken waarvoor ze genomineerd is, gs) en Tot ziens daarboven van Pierre Lemaître. Maar dat boek is pas ver na de oorlog geschreven.”

Liesbeth van Nes

Het boek van Giono vond ze “idioot moeilijk. Het expressionisme was aan het opkomen, Giono gebruikte heel veel beeldspraak en zijn natuur zat vol emoties. Bomen en paarden hadden gevoelens, die oversloegen op mensen. Het was poëtisch, lyrisch, onbegrijpelijk! Ik wist niet goed wat ik ermee aan moest, al vond ik het wel mooi. Rondbellen voor goede raad, wat ik in zo’n situatie doe, leverde de tip op om te kijken naar werk van buitenlandse tijdgenoten van Giono. Nota bene via Ferdinand Bordewijk, die ook een beetje gekke zinsbouw gebruikt, raakte ik op het goede spoor. Ik zou nooit Chinees willen vertalen, dat staat te ver van onze cultuur af. Ik ken collega’s die Spaans vertalen en ook Zuid-Amerikaanse literatuur doen, dat lijkt mij heel moeilijk. Nederland – Frankrijk is overbrugbaar.”

Heeft de Franse taal kenmerken die het vertalen lastig maken? Liesbeth van Nes komt met hetzelfde antwoord als Martin de Haan: de lange zinnen, die eindeloos kunnen uitdijen met telkens nieuwe elementen. Van Nes: “Een voorbeeld? ‘Hij werd geboren op het platteland, in het huis van tante Marthe, bij de brug, waar de rivier een bocht maakt voor hij in de Seine stroomt, op de plek waar vroeger de meiboom stond, naast de bron, waar nu zo’n gevecht over gaande is, al beweert de burgemeester van niet, zonder te weten wie zijn vader was.’ Het Frans kan dat allemaal in een adem, in een zin bij elkaar houden. In een vertaling is mijn streven ook alles in één zin te stoppen zonder dat het raar wordt. Alleen als mijn vaste eerste lezer zegt: ‘Dit kan niet’, of ‘Ik lees hier niet in één keer wat je bedoelt’, dan pas ik het aan.”

Het is slechts een van de hobbels op de weg naar een goede vertaling. Liesbeth van Nes: “Als je begint aan een boek kan het makkelijk drie of zelfs tien keer per bladzijde gebeuren dat je je afvraagt wat de auteur bedoelt. Pas als je over de helft bent, beginnen woorden op hun plaats te vallen, gaan er palletjes om, dan heb je het door.” Anneke Alderlieste: “Hoe ouder je wordt, hoe zwaarder het is. Veel ervaring lijkt een voordeel, maar juist daardoor ben je je bewust van de eindeloze mogelijkheden en ga je twijfelen.”

Woorden

De computer heeft het leven van vertalers weliswaar makkelijker gemaakt, met online woordenboeken en de mogelijkheid van alles op te zoeken. Alderlieste: “Dan zoom je in op Google Street View en weet je, aha, zó ziet dat straatje eruit.” Maar het is makkelijk te onderschatten hoeveel inlezen, inleven, speurwerk en puzzelen komt kijken bij het vertalen van een tekst.

Kiki Coumans

“Ik ben niet met woorden bezig”, zegt Kiki Coumans (1971) zelfs, op het eerste gezicht een bijzondere opmerking in een vak waar het daarom juist allemaal lijkt te draaien. Maar ze kan het uitleggen: “Ik ben op zoek naar datgene waar de taal naar verwijst. Ik heb te maken gehad met boeken met meer dan honderd plantennamen, met breitechnieken, met vele vissoorten. Maar ik heb nog nooit een woord gebruikt zonder te weten waarnaar het verwijst. Ik moet het voor me zien. En neem bijvoorbeeld een uitdrukking. In welke context wordt die gebruikt, hoe vaak, door wat voor mensen? Dat wil ik heel precies weten.”

Om tot de juiste vertaling van een tekst te komen gaat ze, net als de collega’s, ook af en toe te rade bij de auteurs, als die nog leven dan. Soms komt de hulp uit een koptelefoontje. De Afghaans-Franse schrijver Atiq Rahimi liet Coumans horen welke muziek het ritme van zijn boek had bepaald. Toen wist ze hoe de zinnen moesten lopen.

Coumans vertaalt proza en poëzie (“proza overdag, poëzie in de avond”) en heeft haar nominatie onder andere te danken aan de vertaling van vijf avant-gardistische, experimentele werken. Zelf is ze heel blij met Het raam gaat open als een sinaasappel van Guillaume Apollinaire. “Hij heeft visuele gedichten gemaakt, waarbij hij tekent met letters. Hij is trouwens een uitzondering op de regel dat research altijd nodig is. Zijn werk zou ik blind kunnen vertalen, ook als ik niets van hem wist. Alles zit in zijn taal, zijn ritme, zijn woordkeus.”

Moedertaal

Martin de Haan: “Houellebecq heb ik ooit benaderd om te begrijpen in hoeverre hijzelf vond dat zijn boeken ironie bevatten. Met die informatie maak je keuzes die je anders misschien niet maakt. Ik spring helemaal in de schrijver. Ik wil weten wat hem of haar beweegt. Dat is erg verhelderend en nuttig. Milan Kundera is een ex-Tsjech die in het Frans schrijft. Bij sommige dingen vraag ik me af of hij ze expres zo heeft geschreven, of dat het toch komt omdat Frans niet zijn moedertaal is. Dat leg ik dan voor. Je betrapt schrijvers ook wel op fouten of inconsequenties. Sommigen willen dat die verbeterd worden, anderen vinden dat het moet blijven als in het origineel.”

“Ik heb Frankrijk leren kennen doordat ik heel veel verschillende auteurs heb vertaald”, zegt Liesbeth van Nes. “Ik ben altijd op reis. Voor Giono ging ik naar de Provence bijvoorbeeld. Hij schrijft op een gegeven moment over de rode aarde. Daar zie je die aarde opeens en vallen dingen op hun plaats.” Het reizen bedoelt ze niet altijd letterlijk. “Lemaître schreef zijn boek over de Eerste Wereldoorlog nadat die allang voorbij was. Het huis in Parijs en de loopgraaf waaraan hij refereerde, daar kon ik niet veel mee. In zijn geval kwam ik verder via de boeken waaruit hijzelf inspiratie heeft geput.”

Anneke Alderlieste heeft meermalen gelogeerd in het Château du Tertre in Sérigny, de prachtige studeerkamer gezien waar Roger Martin du Gard werkte en in haar handen gezeten met de geschreven teksten. “Hij heeft zelf veel geschreven over hoe hij wilde schrijven. Hij vond het belangrijk dat eerst het huis stond, evenwichtig, met goede fundamenten, een architectonisch geheel. Daarna kwam pas de stijl aan de beurt. Fond et forme. Ik probeer de vertaling hetzelfde evenwicht, dezelfde vloeiendheid te geven.”

De “heerlijke vrijheid om je drie maanden onder te dompelen in een boek”, zoals Liesbeth van Nes het omschrijft, weegt voor haar ruim op tegen de mindere kanten van het werk. “Reclames vertalen is een stuk lucratiever, maar dan vallen ze je drie keer per dag lastig. Ik ben trouwens heel dankbaar, schrijf dat maar op, dat de Auteursbond er is om onze belangen te behartigen en over redelijke vergoedingen te overleggen, want als je dat allemaal zelf moet doen haal je je deadline nooit.” Dankbaarheid uiten de vertalers ook spontaan jegens hun uitgevers, die kostbare projecten zijn aangegaan en zich zo nauw betrokken tonen bij het werk van hun vertalers. Stof genoeg kortom voor het dankwoord dat de winnaar van de Dr. Elly Jaffé Prijs op 31 mei zal uitspreken. Al zal het dit keer minder doorwrocht zijn dan bij vorige edities, maar geïmproviseerd of voorgedragen van een haastig uit de binnenzak getrokken velletje papier.

Door Gertie Schouten